Een interviewstudie bij hulpverleners
Klik hier voor meer informatie over het onderzoek
-
-
-
- Naam student: Lisa Lauwers
- Jaar: 2025
- Instelling: Universiteit Gent
- Promotor(en): Prof. Dr. Lesley Verhofstadt
-
-
Achtergrond
Wereldwijd groeit naar schatting 4 tot 23% van de kinderen op met een ouder met een psychische kwetsbaarheid (KOPP kinderen). In Vlaanderen gaat het om ongeveer 240.000 kinderen per jaar. Deze kinderen lopen een verhoogd risico om zelf psychische moeilijkheden te ontwikkelen. Toch blijven zij binnen de volwassen geestelijke gezondheidszorg vaak buiten beeld. Deze masterproef onderzocht welke factoren bijdragen aan handelingsverlegenheid bij hulpverleners om het thema ouderschap en kinderen systematisch op te nemen in hun begeleiding van volwassen patiënten.
Methode
Via negen semigestructureerde interviews met hulpverleners uit een residentieel psychiatrisch centrum werd nagegaan wat bijdraagt tot die handelingsverlegenheid. De gesprekken werden geanalyseerd volgens een thematische analyse.
Resultaten
Uit het onderzoek blijkt dat handelingsverlegenheid het resultaat is van een complex samenspel van individuele en organisatorische factoren.
“Dan weet ik niet of het wel het moment is om daarover te spreken. Het is al lastig genoeg. Maar eigenlijk is dat gewoon uitstelgedrag.” (deelnemer onderzoek)
- Een eerste belangrijke drempel is de angst om schade te berokkenen. Hulpverleners vrezen de therapeutische relatie te beschadigen of de patiënt extra te belasten.
- Daarnaast ervaren hulpverleners onzekerheid over hun rol en mandaat. Ze voelen zich in de eerste plaats verantwoordelijk voor de volwassen patiënt, niet of minder voor diens kinderen.
- Ook het beroepsgeheim speelt een rol. Twijfel over wat bevraagd of gedeeld mag worden, kan verlammend werken.
- Verder blijkt dat professionele ervaring en opleiding bepalend zijn. Sommige hulpverleners geven aan dat ze tijdens hun opleiding nauwelijks vorming kregen over het thema KOPP.
- Tot slot zijn er organisatorische drempels: gebrek aan duidelijke richtlijnen, beperkte infrastructuur om kinderen te ontvangen en onvoldoende structurele inbedding van het thema in beleid en werking.
Tegelijk toont het onderzoek ook hoopvolle aanknopingspunten. Informele momenten, bijvoorbeeld een spontaan gesprek na het eten, blijken kansen om het thema voorzichtig te openen. Aanpassingen in de organisatie, zoals een speelkoffer of een rustige ruimte voor bezoekende kinderen, maken een afdeling toegankelijker. Initiatieven zoals gerichte vorming, intervisie en praktische handvatten kunnen hulpverleners ondersteunen om van handelingsverlegenheid naar handelingsbereidheid te evolueren.
Conclusie
Handelingsverlegenheid blijkt het resultaat van een complex samenspel tussen persoonlijke factoren (zoals onzekerheid, rolopvatting en ervaring) en organisatorische factoren (zoals beleid, richtlijnen, opleiding en structurele ondersteuning).
Voor de praktijk onderstreept deze masterproef het belang van duidelijke kaders, opleiding en beleidsmatige verankering. Want wanneer hulpverleners zich gesteund voelen, kunnen kinderen sneller worden gezien, gehoord en ondersteund.
Meer weten? Neem contact op en we bezorgen je de volledige masterproef.